Calvados

Wie had gedacht dat het vandaag mooi weer zou zijn. Gisteren was het nog anders. Het weer was bar en boos en zou zo blijven. Door de slechte weersverwachting hadden we in het clubhuis nog een extra pint gedronken. Droefenis over een verloren weekend. 

Daar stonden we dan op de startplaats. Het was paaszaterdag 1981. "Flip, wie had gedacht dat het vandaag mooi weer zou zijn?" vroeg ik, met een blik op een blauwe hemel, met hier en daar een mooie cumulus. Wel een flinke wind uit het Noordoosten. En daarin zat de uitdaging. "Laten we proberen 500 kilometer te vliegen met de Ka-7." "Goed idee," zei Flip Damen. Koortsachtig begonnen we met de voorbereidingen.

Klaar voor de start. Het was vijf voor half een. Ons doel, het vliegveld Alencon, zuidwestelijk van Parijs, lag nog 503 kilometer ver weg. Direct hadden we goede thermiek. "Flip, we vliegen nog geen vijf minuten en we hoeven nog maar een kleine 500 kilometer," riep ik optimistisch. We hadden er een gewoonte van gemaakt bij afstandsvluchten de ophaalploeg mee te laten rijden. 

De thermiek werd sterker en sterker en na ruim anderhalf uur vliegen cirkelden we boven een grote indrukwekkende steengroeve in Zuid BelgiŽ. De wolkenbasis bleef stijgen. En vůůr ons op koers lagen tot aan de horizon wolkjes waarvan iedere zweefvlieger droomt. Het werd weer tijd Heinz en Marcus onze positie door te geven. We hadden afgesproken dat, als we elkaar niet meer konden bereiken, zij om het uur zouden bellen naar het clubhuis om een eventueel landingsbericht door te krijgen. Erg gemakkelijk, het voorkomt extra kilometers en scheelt vooral tijd.

"Als ik me niet vergis ligt rechts voor ons Arras. Dat betekent dat we al 200 kilometer hebben afgelegd, en dat met een Ka-7. Het gaat geweldig, een uur geleden zaten we nog west van Brussel. We gaan de ophaalploeg eens oproepen". "Begrepen" bevestigde Heinz, "jullie zitten bij Arras op 1800 meter." 

"We zullen ze eens een poepje laten ruiken," riep Flip. De Somme bij Amiens verscheen en verdween weer achter ons. Het landschap werd eentoniger en het viel ons op dat het aantal cumuli verminderde. Het zag ernaar uit dat we het beste deel van de vlucht achter de rug hadden. De dorpen gaven nog wel thermiek. We begonnen ons licht zorgen te maken nadat alle cumuli waren opgelost. Dat wordt zwoegen. Bij de Seine, west van Parijs konden we niet meer hoger stijgen dan duizend meter. Nog 125 kilometer. Het moet kunnen. Heinz konden we niet meer bereiken.

We bleven strijden en vorderden steeds trager. Op 450 meter vlogen we over het vliegveld L'Aigle St. Michel, op zoek naar thermiek die we maar niet vonden. Het laatste half uur waren we niet meer boven 600 meter geweest. Alencon lag 45 kilometer voor ons. "Zullen we landen," vroeg Flip. "Niks daarvan, we blijven vechten. We zitten nog hoog genoeg. Zie je die rokende schoorsteen in de verte? Misschien wordt dat onze redding".

Helaas, helaas, de rest laat zich raden. Geen thermiek boven de fabriek en zonder hoop vlogen we verder, richting Alencon. Na 6 uur en 53 minuten moesten we landen naast een groot huis. Er zat een man te vissen in een vijver. Hij had meer aandacht voor zijn dobber dan voor ons.

We stonden stil en probeerden de kap te openen. Het lukte niet. In onze gedrevenheid hadden we niet alleen de vleugels afgeplakt, maar ook de kap en de opening voor de sleephaak. Voor een betere glijhoek, tegen de koude en de tocht. We moesten wachten op de visser. Zijn nieuwsgierigheid voor ons won het gelukkig van de dobber. We vroegen hem te helpen het plakband te verwijderen. We gaven hem een hand. Hij bleef ons ongelooflijk aankijken nadat we verteld hadden dat we 465 kilometer hadden gevlogen. Verbaasd en wantrouwend stond hij daar maar. We excuseerden ons en liepen naar de rand van het veld. Zij aan zij stonden Flip en ik ons de verlichting te geven waar we al uren naar hadden verlangd. Het duurde even. Onder indruk van onze verrichting zei de man "Ik begin te geloven dat jullie van ver komen." "Uit Nederland, we zijn vanmorgen opgestegen in Eindhoven, misschien kent u die stad?" Hij schudde zijn hoofd. "We waren op weg naar Alencon." Hij gebaarde richting zon: "Aha, Alencon, dat ligt daar, achter die heuvels." "U komt niet uit Duitsland? "Nee, nogmaals, we komen uit Nederland." Hij knikte tevreden, zijn wantrouwen en achterdocht verdween achter een brede glimlach. We mochten bellen.

Flip zat in zijn korte broek op een molensteen aan het begin van de oprit. "Het begint fris te worden," zei Flip. We zouden nog een paar uur moeten wachten. De man had verteld dat hij op het punt stond te vertrekken om het paasweekend door te brengen bij zijn dochter in Caen.

Een kwartier later kwam de vrouw naar ons toe. Ze had naar Caen gebeld met de boodschap dat ze een dag later zouden komen. Ze vond het vervelend dat we buiten moesten wachten en wilde ons uitnodigen voor een maaltijd, met het excuus dat ze niet veel in huis had. "Wat zegt ze allemaal," vroeg Flip, die geen woord Frans sprak. Op weg naar het huis vertelde ik over de gastvrijheid die ons die avond te wachten stond.

Terwijl de vrouw in de keuken bezig was, vertelde de man zijn levensverhaal. Hij was molenaar, al op leeftijd. De laatste jaren maalde hij alleen nog als hobby voor een aantal bevriende bakkers uit de omgeving. Na de tweede wereldoorlog was hij hier naar toe verhuisd. Een poging om de verschrikkingen te vergeten. Hij was geboren in de buurt van het dorp waar de parachutist aan de kerktoren had gehangen en zo jammerlijk zijn leven had gegeven voor de vrijheid. Het fragment uit de film D-day heeft die tragedie zo dramatisch weergegeven. Vrijwel zijn gehele familie had het leven gelaten. Enkelen waren domweg vermoord. Zij hadden zich in het verzet gewaagd. Spontaan welden tranen op in zijn ogen. Ademloos luisterde ik. Hoewel Flip geen woord verstond, begreep hij de ernst van het gesprek. In het kort gaf ik het verhaal weer. "Maar goed dat we geen Duitsers zijn," zei Flip. "Dan hadden we nu aan de riek gezeten, of misschien nog erger." Ineens begreep ik de achterdocht en het wantrouwen van de man, direct na onze landing. We hadden er begrip voor.

Na een lekkere omelet werd op aandringen van het echtpaar de koekjestrommel geplunderd. Deze moest leeg, ze zouden morgen toch vertrekken. Steeds weer werd de trommel voorgehouden. De maaltijd ging vergezeld van een fles wijn van bijzondere kwaliteit. Speciaal voor ons uit de kelder gehaald. Zichtbaar genoten ze van onze eetlust. Nadat ik verteld had dat ik hun gastvrijheid zo op prijs stelde, sprong de man op met de belofte: "Ik heb nog iets buitengewoons voor jullie." Hij kwam even later terug met een stoffige fles. "Dit is Calvados die ik in 1946 heb gestookt," zei de man, terwijl de fles voorzichtig op de tafel werd gezet. "Wat zegt ie," vroeg Flip. "Speciaal voor ons heeft hij vijfendertig jaar geleden in NormandiŽ met zijn vooruitziende blik een soort appeljenever gebrouwen. Calvados noemen ze dat spul. Het schijnt erg sterk te zijn." En dat was het, brandend vloog het door de keel. De tweede borrel werd lekker.

Naarmate de tijd vorderde werd de conversatie minder. De oudjes werden moe. Ze vertelden dat ze gewoonlijk om een uur of negen naar bed gingen. Geen wonder dat ze beiden een vermoeide indruk maakten. Het was ver over tienen. Uit respect hielden we onze mond. De wijn en Calvados zorgden ervoor dat beiden in slaap vielen. Daar zaten we dan, ver weg in Frankrijk, in een vreemd huis met een slapend echtpaar aan tafel, waarvan eentje zachtjes begon te snurken. Wat is het leven van een zweefvlieger toch avontuurlijk.

Muisstil waren we, we maakten geen geluid. Op tafel stond de lege koekjestrommel en de fles Calvados. We nemen er nog een, dacht ik. Terwijl ik de fles nam, keek ik naar Flip. Zijn blik verried: "Ik lust er ook nog wel een." Voorzichtig friemelde ik de kurk van de fles, intussen aandachtig kijkend naar de twee en luisterend naar het lichte gesnurk. De derde borrel was echt lekker. Ik kreeg het gevoel uit mijn jongensjaren als ik appels ging jatten bij de buren en suste me met de gedachte dat ze het best goed zouden vinden.

Lichten en getoeter op de oprit. Heinz en Marcus hadden de Ka-7 zien liggen. De oudjes schoten wakker. Meteen werd begonnen met demonteren. We namen afscheid van het gastvrije echtpaar. Het was best roerend, ook al kenden we elkaar nog maar enkele uren. Zij wilden vroeg op en besloten het bed op te zoeken. We vertelden Heinz en Marcus over de mooie avond en de Calvados. Heinz keek naar het huis. Helaas voor hem, het was geheel donker.

Enkele weken later ontving ik een brief: "Hartelijk dank voor het Delfts Blauwe bord, dat u ons heeft gezonden. We hebben het een mooie plaats gegeven in onze kamer. Mocht u nog eens in de buurt komen, wees ervan overtuigd dat u welkom bent. De Calvados staat voor u klaar." Op de kerstkaart die ik aan het einde van het jaar ontving stond onder de gebruikelijke wensen nog een PS: "Wees welkom, de Calvados staat nog steeds klaar".

.

Terug naar: "avonturen en belevenissen met de PH-314"

Terug

Home